She Who Wanders

Griekenland: Mijn eerste kennismaking met echte Vrijheid

Niet de mooie foto’s, maar wat me overkwam

Vier weken geleden stapte ik op het vliegtuig. Nu zat ik thuis in Arnhem, en besefte ik dat die vier weken veel groter waren geweest dan ik had durven hopen. Dit is wat er echt gebeurde, niet de mooie foto’s, maar wat me overkwam.

De droom was echt

Eindelijk was hij daar. De droom. Ik was niet meer in loondienst. Ik had mijn huis verkocht en er een kleiner appartement voor teruggekocht. Een jaar was ik ermee bezig geweest om mijn leven anders vorm te geven en nu zat ik hier, vier weken onderweg. Best gek om dat zo zwart-op-wit te zeggen.

Onderweg was ik veel alleen. En die eenzaamheid gaf gedachten ruimte. Wie was ik eigenlijk, als ik niet meer die persoon was die naar kantoor ging? Ik was geen collega meer, geen rol meer. De levensvragen kwamen wel even op me af. Dat gevoel ebde weg zodra ik volledig in de Griekse cultuur zat. Dit voelde gewoon als vrijheid.

Maar, die kachel moest draaiende gehouden worden, ook al nam ik hem overal mee. Het plan was: langzaam en goedkoop reizen via vrijwilligerswerk (kost en inwoning), lokale baantjes, en ondertussen mijn eigen bedrijf opzetten (www.nandaspekschoor.com). Stap voor stap, niet in paniek (zei ik tegen mijzelf).

Kreta: Winston en het begin

Ik kwam in contact met Winston, een Nederlandse man die in Griekenland een resort had. Ik werkte 5 uur per dag bij Vondelparcresort. Vroeg op, we begonnen wanneer de zon opkwam (rond half zeven) met de terrassen vegen. Daarna planten water geven, handdoeken verschonen, koffie en suiker bijvullen voor gasten die nog niet eens wakker waren.

Winstons koffie hielp daarbij, niet per se beter dan mijn eigen koffie thuis, maar op dat uur wel net zo hard nodig.

Tussendoor fietste ik naar Kalyves en ging lekker zwemmen in zee. Solo. Dit was mijn ritme: werken, naar het strand, koffie drinken. Winston maakte zijn eigen olijfolie, had een moestuintje met peren, kruiden en kappertjes, en plantte expres basilicum tegen de muggen. Via hem leerde ik veel over hoe Grieken aten, werkten, gasten ontvingen, en waarom bijna niemand hier haast leek te hebben.

Via een chef-kok die ik onderweg sprak, leerde ik over crusto, brood dat je twee keer roostert en daardoor maandenlang houdbaar blijft. Vroeger bedacht voor piraten op zee en arme mensen. Er bestond ook een versie met zwarte bonen. Ik probeerde hem meteen.

Ergens tussen al die Griekse yoghurt en koffietjes besloot ik zomaar te solliciteren bij een restaurant. Blijkbaar was ik nu iemand die dat gewoon deed.

Het eten: mijn eigen spelletje

Op elke kaart koos ik iets wat ik niet kende of niet kon uitspreken. Die avond leverde dat testikels op. Geitenballen bij Mythos. Bietensalade en tzatziki. Avocadosalade bij Tzitzikas. Gevulde tomaten en paprika’s met rijst. Griekse spinazie. En die Griekse yoghurt uit de supermarkt die een lokale met zoveel overtuiging aanraadde dat ik het bijna als levensles beschouwde.

Na twee weken Kreta: het klikte niet tussen Winston en mij. Ik voelde me niet prettig bij hem, en dat was pittig als je ook nog samen in één huis woonde. Je stapte ergens in met het idee dat het klikte, en als dat niet zo was, voelde het als een kleine afwijzing, ook al was niks fout gegaan.

In Neo Chorio deed ik één keer yoga-wandeling. Gewoon: wandelen, aandacht op je voeten, je adem, de omgeving. Geen posities, geen matten, geen “yoga” in de traditionele zin. Gewoon je lichaam en je gedachte samen in beweging. Het was stil en heel erg nodig.

Dus ging ik door naar Chania. Het afscheid liep niet vlekkeloos: hij zette me af bij de bushalte precies op het moment dat de bus wegreed. Gelukkig bracht een vriendelijke vrouw me naar een koffietentje, waar ik twee plakjes cake kreeg als troostprijs, eerlijk gezegd een prima ruil.

Chania: Hostels, ontmoetingen en slapeloosheid

Chania voelde anders dan Kreta. Het was groter, hippievibe. Ik landde in Hostel Chania Youth, compleet met drie kittens. Maar ook: kraakbedden en veel lawaai. Op een gegeven moment een zo hardnekkig snurkende kamergenoot dat ik overdag maar een inhaalslag op een bed buiten hield.

Niiris Hostel voelde ouderwets en minder leuk, vol oudere toeristen, en ik sliep als enige vrouw in een slaapzaal met vijf mannen. Niet ideaal.

Maar Chania zelf was vol ontmoetingen. Iemand uit Zwitserland. Iemand uit Australië. Twee Duitsers. Een schrijver die ik op het strand tegenkwam, we praatten. Mooie gesprekken met iedereen onderweg. Vragen over de mens, het leven. Geen vragen over “wat doe jij voor een werk”.

Klein detail dat me bijgebleven was: een jongen uit Zweden en Adnan (omgekeerd: Nanda), een Deen, maakten exact dezelfde grappen als Nederlanders en Belgen zouden maken. Blijkbaar was flauwe humor universeler dan ik dacht.

Ik deed veel hikes, waaronder eentje naar een prachtige botanische tuin, ver omhoog door droge heuvels. Als je aankomt, was je in een oase: alles groeide. Cactussen, olijfbomen, kruiden. Half september, nog warm, je voelde de hitte in je hoofd. Ik zwom. Veel. Zoveel dat mijn ogen pijn deden van het zout en mijn haar voelde als touw.

Dan gebeurde het moment in Talos restaurant: Een man verslikte zich compleet in zijn eten. Zijn vrouw stond volledig in shock. Ik tilde hem op en sloeg op zijn rug tot het los kwam. Hij bedankte me daarna duizend keer. Later bleek hij keelkanker te hebben en een heel nauwe luchtpijp, wat het geheel nog spannender maakte dan het al was. Soort van Mrs. Doubtfire haha.

Chania voelde als het moment waarop ik besefte dat dit ging werken. Ik kon alleen reizen. Ik kon in hostels slapen. Ik kon met vreemden praten. Ik kon tegen hitte en lawaai en onzekerheid. Iets in me ontspande.

Attica: De Flower Garden

Vliegtuig naar het vasteland. Attica. Flower Garden.

Dit was iets compleet anders. Een permaculture-project van Kirsten (Duitsland) en Francesco (Italië). Ze hadden een herberg voor reizigers die op doorreis waren naar andere eilanden, vanuit het vaste land. Het voelde als het tegendeel van alles wat ik 20 jaar had gedaan. Geen meetings, geen Teams, geen emails. Je stond op, je werkte in de aarde, je at wat je gisteren had geplant.

Mijn vaste taken: in- en uitchecken van gasten. Dat leverde leuke ontmoetingen op, een stel uit Bulgarije wiens zoon in Hollywood werkte en special effects deed voor Marvel-films. Het soort verhaal waar je normaal niet zomaar tegenaan liep, zeker niet terwijl je uitlegde hoe de sleutel werkte.

Foutloos ging het niet altijd. Op een gegeven moment zette ik iemand in de privékamer die eigenlijk de dorm had geboekt. Resultaat: ’s nachts wakker gemaakt door Kirsten, en in mijn onderbroek bedden opnieuw opmaken en gasten omruilen. Professioneel was anders, maar de volgende ochtend moest ik er zelf hard om lachen.

Ik had een eigen fiets hier. Veel naar de zee (Mati), veel koffietjes, veel sporten in de gym. Veel zwemmen, de Griekse zee in september was nog warm. Ik had ook een yogamat meegenomen op reis, want reizen werd mijn levensstandaard. Ik zocht overal leuke sportscholen op, niet alleen voor de training, maar ook voor de contacten die je daar maakte.

Na twee weken in de Flower Garden voelde ik me anders. Niet beter, niet “geholpen”, maar anders. Ik had geleerd dat je handen kapot konden zijn en dat nog heel goed voelde. Dat stille momenten niks vervelends waren. Dat Griekenland, deze plek specifiek, iets deed met tempo.

Niet alles was luchtig. Vier nachten sliep ik in een dorm met een vrouw uit Oekraïne, die op de vlucht was voor de oorlog. Op een avond liet ze me beelden zien van bombardementen in haar eigen wijk. Ik schrok oprecht, en ik wist even niet wat ik moest zeggen. Zoiets zet je wel weer even met beide benen op de grond, tussen alle strandjes en koffietjes door.

Athene: BedBox, Libanon en de Omweg naar Huis

Ik pakte mijn backpack en nam afscheid van Kirsten. Dat voelde dubbel, ik had toch zo’n 16 dagen met haar opgetrokken, veel gelachen, mooi gepraat. Maar we bleven in touch.

Bus naar Athene. BedBox hostel, een coole plek vol backpackers, lawaai, mensen, straten, metro. Alles voelde anders dan Attica.

Hier ontmoette ik een man uit Libanon. Hij reisde al twaalf jaar zonder vaste woning. Net als ik, had hij zijn bedrijf verkocht en stapte hij in het onbekende. We zaten op het terras, en hij vertelde me over hoe zijn familie at. Mezze, allemaal kleine haphes, hummus, taboulé, pitabrood, olijven, kaas, groenten.

“Mijn familie zit vier uur lang te eten,” zei hij. “Niet omdat ze honger hebben na vier uur, maar omdat de maaltijd het punt is. De samenzijn.”

“Niemand snapt dit in het Westen,” zei hij. “Ze denken eten is voedsel. Voor ons is het samenzijn.”

Ik zat daar en dacht aan fava met rode ui, aan de man die ik hier net was geworden. Ik dacht aan Winston, aan Kirsten, aan vier uur niets doen behalve bij iemand zijn.

30 september. Vlucht naar Amsterdam.

Bus naar het vliegveld. Wachten. Boarding. Dan, ik miste het. Ik kwam te laat. Bus, terminal, wachtrij, het was weg.

De volgende vlucht naar Amsterdam? Vrijdag. Vandaag was woensdag. Dus twee dagen wachten. Of…

Een baliemedewerker hielp me. Ze tikte dingen in haar computer. “Frankfurt Hahn, vanavond,” zei ze. “Dan bus naar Koblenz, trein naar Duisburg, dan naar Arnhem.”

Ik zei: “Prima.”

Eigenlijk dacht ik: dit past perfect. Niemand mist zijn vlucht thuis. Iedereen mist zijn vlucht als hij aan het reizen is.

Frankfurt Hahn was een oud militair vliegveld. Half één ’s middags. De bus naar Koblenz reed net weg. Volgende over twee uur. Ik zat te wachten op een bankje in het niets.

Trein naar Duisburg. Vier vertragingen. Ergens op het traject stond iemand op het spoor. Alles stopte. Ik zat daar in het donker en dacht aan niks. Gewoon uitgeput.

22:00 uur. Arnhem. Mijn appartement. Mijn bank was precies hetzelfde als toen ik wegging. Ik niet.
Nanda Spekschoor
6 oktober 2026